Paardenrassen

Het paard behoort tot de onevenhoevigen (perissodactyla) en heeft per been slechts één teen. Van oorsprong heeft een paard vijf tenen waarbij de hoef feitelijk de vergrote nagel van de middelvinger is. Andere overblijfselen van de tenen zijn de griffelbeentjes (ring- en wijsvinger), de zwilvrat (duim) en het spoortje (pink).

Paarden zijn planteneters (herbivoren), maar geen herkauwers. De voortanden gebruiken ze om gras en dergelijke mee af te rukken, waarna dit door de kiezen vermalen kan worden. Zowel hun gehoor als hun reukvermogen zijn bijzonder goed ontwikkeld. De manen, het lange haar op de bovenzijde van de hals, zijn vermoedelijk ontstaan als bescherming tegen roofdieren zoals katachtigen, die het paard op de rug springen en in de nek bijten. Door dan de aanvaller met bokkende bewegingen van zich af te schudden, verliest het paard enkel wat van zijn manen. De staart wordt gebruikt om insecten te verjagen.

 

 

   Andalusiër
   Appaloosa
   Arabier
   Belgisch trekpaard
   Camargue
   Connemara pony
   Fjord
   Fries paard
   Groninger paard
   Haflinger
   Ijslander
   Konik
   Koninklijk Warmbloed Paard Nederland (KWPN)
   Lippizaner
   Mustang
   New Forest
   Oost-Fries
   Przewalskipaard
   Salerno
   Shetlandpony
   Shire
   Tinker
   Welsh pony