Appaloosa

De Appaloosa-pony is een heel oud ras. Op grotschilderingen van meer dan 20.000 jaar geleden staan al gevlekte paarden. De oude Chinese keizers noemden ze ‘Hemelse paarden’. In de 18e en 19e eeuw waren ze erg geliefd bij de aristocratie in Europa. In de Verenigde Staten hadden ze alles te maken met de Indianen, vooral met de Nez Percé-stam. Dat was de enige stam die doelgericht en selectief fokte en de Nez Percé stonden bekend als zeer goede paardenkenners. Alleen de beste hengsten werden gebruikt om te fokken, de andere werden gecastreerd, zodat ze geen nakomelingen konden krijgen. De paarden die niet voldeden werden geruild met andere Indianenstammen. De paarden groeiden uit tot sterke, snelle dieren die stevig op hun benen stonden op oneffen terrein. De gevlekte paarden waren het meest geliefd. De Indianen noemden het ras ‘Paulouse’ naar de rivier Palouse maar later is de naam Appaloosa ontstaan. Maar na een tijd werden de Nez Percé-Indianen naar Canada verjaagd. Omdat de Appaloosa-paarden hun kracht én hun trots waren, werden ze in beslag genomen en verkocht. Vijftig jaar lang was de Appaloosa een zeldzaam ras, maar in 1938 werd de Appaloosa Horse Club opgericht met als doel het ras te redden.
De Appaloosa heeft veel goede eigenschappen: uithoudingsvermogen, een heel goed karakter en ze zijn heel veelzijdig. Verder hebben ze een gedrongen lichaam, goede benen en harde hoeven. Het hoofd is edel. Met de stokmaat zijn de meeste tussen de 142 en 152 centimeter in. Er zijn zowel minipony’s als grote paarden. De manen en staart zijn meestal dun. Ze hebben een uitstekende galop. het hoofd is breed en de ogen zijn sprekend en levendig. De oren zijn zoals bij alle Amerikaanse paarden klein en spits, de hals is gespierd en de borst breed. de appaloosa heeft een rond, krachtig kruis met een hoog geplaatste staart. De manen en staart zijn bijzonder zijdeachtig.