Verteringsstelsel van het paard
Verteringsfysiologie van het paard
Wilde paarden besteden circa 60% van hun tijd aan het verzamelen van voedsel. Zij krijgen hun voer voornamelijk binnen door te grazen. Het paard is dus van nature gewend (en ook gebouwd) om kleine porties te eten, voortdurend te bewegen en te leven van energiearm en vezelrijk gras. De spijsvertering van jouw paard is hier nog altijd helemaal op ingericht.
Wat gebeurt er in het lichaam van je paard als het eet? Tussen de mond en de mest vindt de spijsvertering plaats. De spijsvertering is bepalend voor de energievoorziening van je paard. Het spijsverteringskanaal bestaat uit de volgende onderdelen: mond, maag, dunne darm, blinde darm en dikke darm. We zullen dit stelsel stap voor stap bekijken.
Anatomie van het spijsverteringsapparaat van het paard
1. De mond en het gebit. Hiermee wordt het voer gekauwd en in kleinere stukken vermalen. Op 1 kg hooi kauwt een paard ongeveer 40 minuten. In deze periode wordt maar liefst 3 tot 3,5 liter speeksel geproduceerd. Bij krachtvoer hoeft een paard slechts 10 minuten te kauwen om één kilogram te kunnen opeten.
De tong brengt het voer achterin de mond, waar het de slokdarm ingaat met het slikken. Met peristaltische (samentrekkende) bewegingen beweegt de slokdarm het voer naar de maag. Bij peristaltiek trekken de lengtespieren en de kringspieren in de wand van de slokdarm boven (ofwel achter) de voedselbrij zich samen; deze samentrekking is reflexmatig en volgt op een uitrekking van de slokdarmwand door de voedselprop.
2. De maag. Na de slokdarm bereikt het voer de maag van het paard. Met een inhoud van ongeveer 10 tot 20 liter is die eigenlijk tamelijk klein voor een paard. Hier worden enzymen en maagzuur toegevoegd en wordt het voer verder 'afgebroken' zodat het lichaam bij de voedingsstoffen in het voer kan. Doordat er al speeksel is toegevoegd in de mond, kunnen de maagsappen beter op het voer inwerken.
3. De dunne darm. Vervolgens komt de voedselbrei in de dunne darm (21-25 meter lang), waar de eiwitten worden afgebroken door enzymen tot aminozuren die de darm straks kan opnemen in het bloed. Hier worden vooral de gemakkelijk verteerbare componenten verteerd, zoals zetmeel, eiwit en vet. De dunne darm bestaat uit drie delen: de twaalfvingerige darm (duodenum), de nuchtere darm (jejunum, zo'n 15-23 meter lang) en de kronkeldarm (ileum). Het grootste gedeelte van de voedingsstoffen wordt in de dunne darm verteerd en opgenomen in de bloedbaan.
4. De blinde darm. Hierna komt de voedselbrij terecht in de enorme blinde darm (ongeveer 1 meter lang en 30 liter inhoud). De celwanden van gras, hooi en stro (o.a. cellulose, het paard voedt zich immers voornamelijk met cellulose-rijk materiaal) wordt hier afgebroken door bacteriën en omgezet tot vetzuren. Deze laatste worden geresorbeerd en gaan richting lever, waar ze worden omgezet tot glucose. De energiebron glucose wordt onmiddellijk verbrand of wordt elders in het lichaam opgeslagen voor later gebruik.
5. De dikke darm. De rest van de voedselbrij (inmiddels is dat fijngemalen en doordrenkt met water) passeert de blinde darm en komt terecht in het eerste deel van de dikke darm (colon), waar de bacteriële omzetting verder gaat. In de dikke darm leven enorm veel bacteriën die de vezels en overige voedingsbestanddelen verteren. Voedingsstoffen worden opgenomen door de wand van de dikke darm in de bloedbaan. In het tweede deel van de dikke darm gaat de opname van voedingsstoffen vanuit de darm door en ook water wordt hier opgenomen. De gehele dikke darm is ongeveer 7 tot 9 meter lang.
6. De endeldarm. Wat dan nog overblijft, komt in de endeldarm terecht. Hier wordt de voedselmassa, waar een groot deel van het water dus inmiddels is aan onttrokken, tot 'mestballen' of 'paardenvijgen' gevormd op weg naar de anus.
Tips:
Tijdens de spijsvertering van elk dier (en ook de mens) zijn maag en darmen extra voorzien van bloed, voor een stuk zelfs onttrokken aan minder hard werkende lichaamsdelen. Ons advies is daarom om een paard niet onmiddellijk na het eten intensief te laten werken.
Het is belangrijk paarden rustig en op vaste tijdstippen eten te geven, liefst afzonderlijk in een box. In een groep worden dieren die lager in de rangorde staan verdrongen en wordt er veel te snel gegeten om zoveel mogelijk te hebben. De gevolgen laten zich raden.
Bij droog voeder heeft een paard grote behoeftes aan water voor de sterke speekselafscheiding (zo'n 40-60 liter per dag). Bij lichte arbeid is er een behoefte van 30 - 40 liter, bij zware arbeid 50 tot 60 liter, afhankelijk van de watertoevoer met het voer en de hoeveelheid water die door de stofwisseling in het lichaam weer wordt opgenomen vanuit de dikke darm.
