Home > Paardenrassen

Paardenrassen

    Het paard behoort tot de onevenhoevigen (perissodactyla) en heeft per been slechts één teen. Van oorsprong heeft een paard vijf tenen waarbij de hoef feitelijk de vergrote nagel van de middelvinger is. Andere overblijfselen van de tenen zijn de griffelbeentjes (ring- en wijsvinger), de zwilvrat (duim) en het spoortje (pink).

    Paarden zijn planteneters (herbivoren), maar geen herkauwers. De voortanden gebruiken ze om gras en dergelijke mee af te rukken, waarna dit door de kiezen vermalen kan worden. Zowel hun gehoor als hun reukvermogen zijn bijzonder goed ontwikkeld. De manen, het lange haar op de bovenzijde van de hals, zijn vermoedelijk ontstaan als bescherming tegen roofdieren zoals katachtigen, die het paard op de rug springen en in de nek bijten. Door dan de aanvaller met bokkende bewegingen van zich af te schudden, verliest het paard enkel wat van zijn manen. De staart wordt gebruikt om insecten te verjagen.

    De Andalusiër, ook wel PRE (Pura Raza Española) genoemd, wordt al eeuwen in Spanje gefokt. Dit paard is door z’n betoverende uiterlijk een vaak geziene gast in shows en spektakels.

    Dit edele ras, in klasse enkel overtroffen door de Arabier (qua zuivere bloedlijnen) wordt gekenmerkt door zijn vaak zijdeachtige, zilverwitte, lange manen en laag ingeplante volle staart. Ze zijn meestal gemakkelijk te herkennen aan hun lichaamsbouw, een korte rug, een korte, sterke hals en een goed gespierde achterhand. Andalusiërs hebben een fijn, lang hoofd, een lichte ramsneus en het voorhoofd is eerder plat. Ze hebben ronde, zachte en intelligente ogen. De meest voorkomende kleur is schimmel, maar ook zwart, bruin en vos komen voor. De schimmels worden wel witter, naarmate het paard ouder wordt.

    Veel andere rassen zijn gebaseerd op dit ras, onder meer de Fries, de Connemara pony en zelfs de Lipizzaner. De schofthoogte ligt tussen de 1,55 en 1,64 meter.

    Dit elegante paard is temperamentvol en moedig maar erg meegaand. Het karakter van de Andalusiër is zo zachtmoedig, dat men in Spanje de hengsten zelden of nooit castreert. Het paard heeft bovendien vaak een natuurlijk vertrouwen in zijn begeleider of berijder. Dit maakte hem een uitstekende bondgenoot in oorlogstijd, en bewijst vandaag nog steeds zijn nut bij het stierengevecht. Het is een eerlijke, trotse en intelligente partner voor de mens, een paard dat graag werkt en snel leert.

    De Appaloosa-pony is een heel oud ras. Op grotschilderingen van meer dan 20.000 jaar geleden staan al gevlekte paarden. De oude Chinese keizers noemden ze ‘Hemelse paarden’. In de 18e en 19e eeuw waren ze erg geliefd bij de aristocratie in Europa. In de Verenigde Staten hadden ze alles te maken met de Indianen, vooral met de Nez Percé-stam. Dat was de enige stam die doelgericht en selectief fokte en de Nez Percé stonden bekend als zeer goede paardenkenners. Alleen de beste hengsten werden gebruikt om te fokken, de andere werden gecastreerd, zodat ze geen nakomelingen konden krijgen. De paarden die niet voldeden werden geruild met andere Indianenstammen. De paarden groeiden uit tot sterke, snelle dieren die stevig op hun benen stonden op oneffen terrein. De gevlekte paarden waren het meest geliefd. De Indianen noemden het ras ‘Paulouse’ naar de rivier Palouse maar later is de naam Appaloosa ontstaan. Maar na een tijd werden de Nez Percé-Indianen naar Canada verjaagd. Omdat de Appaloosa-paarden hun kracht én hun trots waren, werden ze in beslag genomen en verkocht. Vijftig jaar lang was de Appaloosa een zeldzaam ras, maar in 1938 werd de Appaloosa Horse Club opgericht met als doel het ras te redden.

    De Appaloosa heeft veel goede eigenschappen: uithoudingsvermogen, een heel goed karakter en ze zijn heel veelzijdig. Verder hebben ze een gedrongen lichaam, goede benen en harde hoeven. Het hoofd is edel. Met de stokmaat zijn de meeste tussen de 142 en 152 centimeter in. Er zijn zowel minipony’s als grote paarden. De manen en staart zijn meestal dun. Ze hebben een uitstekende galop. het hoofd is breed en de ogen zijn sprekend en levendig. De oren zijn zoals bij alle Amerikaanse paarden klein en spits, de hals is gespierd en de borst breed. de appaloosa heeft een rond, krachtig kruis met een hoog geplaatste staart. De manen en staart zijn bijzonder zijdeachtig.

    De Arabische volbloed ook wel ‘Arabier’ genoemd, is een paardenras dat afstamt van Arabische paarden uit Noord-Afrika en het Nabije Oosten. Het ras is zeker meer dan vijfduizend jaar oud. Tegenwoordig worden Arabische volbloeden over de hele wereld gefokt.

    De Arabische volbloed is een gespierd paard maar weegt vaak niet veel meer dan 500 kilo. De stokmaat was oorspronkelijk tussen de 1.40 en de 1.50 meter, maar door verregaand doorfokken worden nu ook grotere Arabische volbloeden gefokt, soms tot wel 1.65m. De gemiddelde grootte blijft wel rond de 1.50m liggen. Het paard heeft een vrij klein hoofd met grote uitdrukkingsvolle ogen en een fijngevormde neus. De meeste arabieren hebben ook nog een knikje in de neus. De oren zijn klein en spits. De hals is gebogen en de borst is naar verhouding breed. De staartdracht is sierlijk en van het lichaam af gedragen. De croupe is bij voorkeur iets vlak en kort. Het paard beweegt zich sierlijk en soepel, vooral in draf. Ook heeft de arabier een Hoge staart. De Arabier komt voor in de kleuren schimmel, vos, bruin en zwart. Het ras heeft vaak witte aftekeningen op de benen en het hoofd.

    Een hoge intelligentie en een vurig karakter zijn de kenmerken van een Arabische volbloed. De Arabier is een gevoelig dier. De gebruiker moet eerst zijn vertrouwen winnen, waarna het paard alles voor hem wil doen. Zijn grote uithoudingsvermogen heeft hij overgehouden aan zijn geschiedenis als woestijnbewoner.

    Het Belgisch trekpaard, Brabants trekpaard of Brabander is een paardenras afkomstig uit België. Tijdens de Romeinse bezetting van het gebied dat nu België heet, werd het Belgisch trekpaard al genoemd. Van de 11e tot de 16e eeuw werd het trekpaard gebruikt als oorlogspaard in Brabant en Vlaanderen. Daarna werd het Belgisch trekpaard gebruikt om zware werktuigen te trekken op het platteland, in de mijnbouw en in de haven. Ook trokken ze (post)koetsen en schepen.

    Door de motorisering na de Tweede Wereldoorlog werd het trekpaard overbodig. In 1980 waren er nog maar 6000 Belgische trekpaarden over. Een aantal fokkers ging zich inzetten om dit paardenras te behouden. En in 2004 waren er ongeveer 12.000 Belgische trekpaarden. Ze worden tegenwoordig gebruikt om te mennen.

    Het Belgisch trekpaard heeft een schofthoogte van ongeveer 1,70 m. Het paard heeft een vrij klein hoofd met een korte, zware hals en een dubbele manenkam. Het lichaam is krachtig en gedrongen. De benen zijn kort en sterk met aan de kogels extra beharing. Het is gebruikelijk de staart van trekpaarden te couperen. Deze gewoonte is ontstaan omdat boeren vroeger op de akkers vaak vlak achter het paard naast de ploeg liepen en niet wilden dat het paard de leidsels met de staart vast tegen hun billen zouden klemmen en zo verdere besturing onmogelijk zouden maken.

    De Camargue is een oud paardenras dat voorkomt in de Camargue streek in Zuid-Frankrijk. Al eeuwen, mogelijk zelfs duizenden jaren, wonen deze kleine paarden in de wilde en harde omgeving van het drasland van de Rhône delta. Daardoor hebben ze het uithoudingsvermogen en wendbaarheid ontwikkeld waarom ze vandaag de dag vooral bekend zijn.

    Camargue paarden zijn bij hun geboorte zwart of donkerbruin, maar hun vacht wordt lichter als ze ouder worden tot ze uiteindelijk lichtgrijs of wit zijn. Het zijn kleine paarden van meestal 1,30 tot 1,45 meter hoog. Ondanks hun kleine formaat zijn ze sterk genoeg om een volwassen persoon te dragen. Ze hebben een korte nek, diepe borst, compact lichaam, sterke benen en volle manen.

    Camargue hebben een kalm karakter en zijn vrij intelligent. Hun wendbaarheid en uithoudingsvermogen maken dat ze veel worden gebruikt voor showsporten zoals dressuur en rijden over lange afstanden.

    De Connemara is een type pony, die al eeuwen rondzwerft in Ierland. Ze werden als jachtpony’s gebruikt door de jagers in Ierland. Connemara’s zijn pony’s van 1.40 tot 1.54 meter. Het waren vroeger bijna altijd valkpony’s, maar nu zijn er nog maar weinig valkpony’s over. De meest voorkomende kleur is schimmel. Het zijn de beste springpony’s ter wereld. Een kruising met een Engelse volbloed levert fantastische sportpaarden op.

    De fjord of het fjordenpaard is een van de drie inheemse paardenrassen van Noorwegen en ook een van de oudste en zuiverste rassen ter wereld. Het fokken gebeurde voornamelijk in het westen van het land. Over de oorsprong van het ras is niet veel bekend. Sedert de tijd van de Vikingen worden de manen van het fjordenpaard geknipt: de lichtere zijmanen worden daarbij korter geschoren dan de zwarte haren in het midden. Dankzij zijn kracht, zijn hardheid en zijn vaste tred is het een prima hulpkracht voor de landbouw in het gebergte.

    Schofthoogte: 1,35 tot 1,50 m. Karakter: werkwillig, koelbloedig, enthousiast en nieuwsgierig. Doorgaans betrouwbaar en rustig.

    Het Friese paard is een inlands raspaard. Zijn wortels gaan ver terug in de tijd. Al in de 13e eeuw was de Fries bekend en tegenwoordig vertoont het nog steeds duidelijke overeenkomsten met zijn verre voorouders.

    Het Friese paard is een sierlijk ogend paard met veel behang en een fiere houding. Het lichaam is compact en sterk. Een Fries is vrijwel altijd zwart zonder aftekeningen. Aftekeningen zijn dan ook verboden, hoewel een klein kolletje een enkele keer door de vingers wordt gezien. Een enkele keer komt er een zeer zeldzame bruine variant voor.
    De schofthoogte ligt tussen 1,55 m (voor opname in het stamboek) en 1,70 m.

    Bekend zijn de Friezen vooral van de shownummerrubrieken, waarin ze voor de Friese Sjees lopen en gereden worden door boeren en boerinnen in Friese klederdracht. Het paard is namelijk oorspronkelijk gefokt als werkpaard dat doordeweeks gewoon moest ploegen, en op zondag werd het paard voor de koets gespannen als de familie naar de kerk ging. Maar ook onder het zadel presteert de Fries goed. De Fries heeft duidelijk aanleg voor dressuur en hij wordt ook veel gebruikt als hogeschoolpaard bijvoorbeeld in het circus.

    Het Groninger paard is een Noord-Nederlands paardenras. Dit ras heeft zich ontwikkeld voor werken in de zware kleigronden die Noord-Nederland rijk is. Het Groninger Paard is een massief en krachtig paard voor boerderijwerk, maar wordt ook gebruikt voor normale dressuur.

    Het paard is een zwaar, lang gelijnd en kortbenig warmbloedpaard met een krachtige bouw, een sprekend hoofd, een gespierde middellange hals, voldoende schoft die soepel overgaat in een niet te lange, sterke rug, een tamelijk schuine schouder, een brede en diepe zwaargespierde romp, ronde welving der ribben, een zwaar ontwikkelde achterhand, massief beenwerk met korte platte pijpen en ruime harde voeten.

    De Haflinger is een raspaard. Haflingers komen van oorsprong uit Zuid-Tirol en omdat ze qua ras vrij sober zijn, werden ze veelal gebruikt als trek- en lastpaarden in de bergen. Ze worden daar ook vaak ingezet voor de arrenslee.

    De Haflinger bestaat alleen in voskleur met lichte staart en manen. Het is een werklustig paard met veel kracht, uithoudingsvermogen, intelligentie en vaak ‘koel in de kop’. Een Haflinger is sober in onderhoud, dat wil zeggen, ze kunnen winter en zomer buiten blijven en hebben minder voer nodig dan een paard dat ‘hoog in het bloed staat’.

    Door het toevoegen van Arabisch bloed heeft de Haflinger adellijke kenmerken gekregen. In 1961 is de eerste Haflinger naar Nederland gebracht, waarna het ras zich heeft bewezen als zeer veelzijdig. De Haflinger is een paardenras dat op veel onderdelen binnen de paardensport ingezet kan worden. In tegenstelling tot wat veel wordt gedacht, is de Haflinger geen kinderpony. Door zijn sterke wil en eigenwijze karakter heeft hij een consequente aanpak nodig. Ook is het fysiek een sterk paard, dus voor kleine kinderen, of beginnende ruiters is dit paard niet de beste keuze.

    IJslanders of IJslandse paarden worden al meer dan duizend jaar raszuiver gefokt. Toen aan het einde van de 9e eeuw de eerste inwoners op IJsland kwamen wonen waren daar geen paarden. De Vikingen namen paarden en andere huisdieren mee uit de gebieden waar ze vandaan kwamen, vooral uit Noorwegen maar ook van de Schotse eilanden.

    De IJslander is eeuwenlang gebruikt als rijpaard en als pakpaard, onder andere voor het vervoer van de post, voor het bijeendrijven van schapen en als vervoermiddel voor de mens, maar ook – recenter – als sportpaard bij gangenwedstrijden en races.

    Naast de drie basisgangen stap,draf en galop kan een IJslander zich in vier en soms in vijf gangen voortbewegen. Deze gangen heten tölt en telgang.

    De voetvolgorde van tölt is gelijk aan die van stap. Het verschil zit echter in het optillen en neerzetten van de hoeven. Gevolg hiervan is, dat het paard in stap afwisselend op twee of op drie benen staat en in tölt op twee benen of op één been tegelijk steunt. In tölt draagt het paard zijn hoofd en hals hoog. Er ontstaat een trotse beweging, versterkt door het ritmisch meedansen van de staart. Het gewicht wordt voornamelijk door de achterhand gedragen, zodat de voorbenen en schouders vrij kunnen bewegen. Bij zeer goede tölters gaat dit gepaard met een hoge knieactie. Behalve spectaculair is de tölt op de eerste plaats een comfortabele gang, zowel voor het paard als voor de ruiter. Om aan te tonen hoe rustig de ruiter in het zadel zit, wordt in tölt-demonstraties vaak met één hand gereden, met in de andere hand een vol glas bier.

    Een Konik is van oorsprong een in Polen en Wit-Rusland gehouden paardenras, dat klein van stuk en heel resistent is. Kon is Pools voor paard, konik (konjiek) voor paardje. Het Konikpaard heeft geen verzorging nodig en kan het hele jaar vrij rondlopen. Om deze reden wordt het dier vaak ingezet voor begrazing in natuurgebieden in Nederland.

    Het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland is de Nederlandse fokkerij-organisatie voor spring- en dressuurpaarden, tuigpaarden en Gelderse paarden.

    Prestatiegerichtheid, duurzaamheid en het aansprekende exterieur zijn de belangrijkste factoren waarop het internationale succes van dit Nederlandse paard is gebaseerd.

    Het KWPN staat al jaren achtereen op nummer 1 als het gaat om de beste springpaarden ter wereld. Het KWPN hanteert strenge selectieprocedures voor goedkeuring van dekhengsten en het uitreiken van predicaten. Daardoor lopen KWPN’ers al jarenlang op het hoogste niveau mee in de paardensport.

    De Lippizaner is een warmbloed paardenras dat van oorsprong uit Lipica (bij Sezana) in het huidige Slovenië komt. De Lippizanerpaarden zijn vaak schimmel/wit. Het hoofd is uitdrukkingsvol en regelmatig met een ramsneus (aflopend profiel in de neus).

    De stokmaat/schofthoogte is tussen de 1,50 en 1,60 m. De hals is vrij hoog aangezet en geeft een sterke indruk. Het lichaam heeft een rond kruis en zware schouders. De staart is goed ingeplant en weelderig. De benen zijn kort en stevig, de voeten klein en uitstekend gevormd.
    De paarden vertonen sprongen die vroeger als gevechtstechniek werden gebruikt. Ze kunnen bijvoorbeeld met vier benen tegelijk de lucht in springen om wat tegenstanders neer te halen.

    De opleiding van een Lippizaner duurt ongeveer 6-7 jaar. Er worden veel shows gegeven met Lippizaners. Door zijn karakter en zijn schitterende draf is het paard bij uitstek geschikt voor de hogere rijkunst.

    De Mustang is een bekend ras van sterke, rondzwervende paarden die vooral te vinden zijn in het westen van Noord-Amerika. Het ras is hoofdzakelijk in Amerika ingevoerd door Spaanse conquistadores (veroveraars). Met mustangs duidt men in dagelijks taalgebruik “wilde paarden” aan. Maar het gaat eerder om verwilderde paarden, daar bijna alle “wilde” rondzwervende paarden in Amerika afstammen van paarden die oorspronkelijk tam waren. Vandaag is het enige echte wilde paard het Przewalskipaard, dat uit Azië komt.

    Ooit waren er al paarden in Noord-Amerika, maar door de laatste IJstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, of jagers zijn deze paarden uitgestorven. Hierdoor waren er geen paarden meer tot de komst van de Conquistadores eind 15e eeuw en begin 16e eeuw. Het Engelse woord mustang is afgeleid van het Mexicaans-Spaanse woord mestengo van het Spaanse mesteño. Dit betekende zonder bezitter en duidde de in het wild levende paarden aan.

    De New Forest pony dankt zijn naam aan ‘het nieuwe bos’ een natuurreservaat in zuid-west Engeland, ‘the New Forest’. Een gebied gelegen tussen Southhampton en Bournemouth. De pony’s werden van oudsher hier min of meer wild gehouden en ook nu nog zijn er kuddes in deze gebieden te vinden. Het natuurgebied bestaat uit heide, bebossing en moerassen.

    De New Forest pony werd voornamelijk gebruikt als trekkracht in de landbouw en aangespannen voor het vervoer van mensen. De voordelen van pony’s in het algemeen werd bijzonder gewaardeerd; ze gaan lang mee, zijn niet al te groot en sterk en vast ter been. Eigenschappen die de New Forester wel bekend zijn. Doch zoals het met alle paardachtigen verging, raakte het werk verloren door de toenemende mechanisering. De New Forest pony werd steeds vaker als rij- en sportpony ingezet en door zijn geweldige karakter en veelzijdigheid niet zonder succes.

    In 1957 werden de eerste New Forest pony’s in Nederland geïmporteerd. Ze moesten vooral aan de vraag van geschikte kinderrijpony voldoen want tot dan werd er voor kinderen slechts de ‘vaak te kleine’ Shetlander gebruikt. De New Forest beschikte over een goede maat en een betrouwbaar karakter.

    Het paardenras Oost-Fries is een ietwat zeldzaam geworden ras, origineel uit de regio Oost-Friesland in het noorden van Duitsland.

    Het ras is een Zware Warmbloed, zeer vergelijkbaar met de Oud Oldenburger en heeft samen met deze aan de basis gestaan voor het inmiddels ook met uitsterven bedreigde Groninger paard. De stokmaat ligt tussen 1,52 en 1,62 meter en daarmee is de Oost-Fries iets lichter, compacter en sierlijker dan de Oldenburger, hoewel ze aanvankelijk naast elkaar gefokt en met elkaar gekruist werden.
    Dit levendige en moedige paard stamt af van het Spaans Paard, de Napolitaan, de Anglo- en Volbloed-Arabier en de Gazal en is veredeld met de Hannoveraan en is in eerste lijn als rijpaard gefokt. Het karakter wordt doorgaans als goedaardig omschreven.

    Het Przewalskipaard was een wilde paardenondersoort, die in 1967 voor het laatst in het wild gezien is in Mongolië. Het was vermoedelijk het ras dat werd gebruikt door grote Mongoolse veroveraars als Dzjengis Khan. In 1878 werd dit dier ontdekt door kolonel Nikolaj Przewalski. De Nederlandse naam is van deze man afkomstig.

    Het Przewalskiras als wilde soort raakte rond 1960 uitgestorven. Omdat rond 1900 een aantal veulens gevangen waren waarmee verder gefokt was, waren er in dierentuinen genoeg dieren om het aantal te vermeerderen. De basis van alle nu levende Przewalskipaarden is gebaseerd op 13 dieren.

    Kenmerken: korte benen, kleur ’s zomers beige bruin, ’s winters donkerder, rechtopstaande manen, 66 chromosomen (gewone paarden 64, kruisen is echter mogelijk), kan niet bereden worden.

    De Salerno is een paardenras uit de Italiaanse provincie Salerno. Het ras is ontstaan door een kruising van Andalusiër en Neopolitans. Het paard is 160 tot 170 centimeter hoog, en komt meestal voor in de kleuren bruin, zwart of kastanje. Salerno’s hebben een licht en goedgevormd hoofd. Ze hebben lange gespierde nekken. Hun ruggen hebben een goede verhouding.

    De Salerno is een eersteklas rijpaard, dat ook veel door de cavalerie werd gebruikt. Verder zijn de paarden geschikt voor paardensporten, en zijn ze van nature goede springers.

    De Shetlander is afkomstig van de Shetlandeilanden in het uiterste noorden van Schotland. Het is het op 1 na kleinste ras (de falabella is het kleinste). Onder invloed van een koud klimaat en een minimale hoeveelheid voer ontstond een kleine, taaie pony die alle kenmerken van koudbloedige paarden had en zijn lichaamswarmte zo goed mogelijk kon bewaren.

    Hij wordt (in verhouding tot zijn grootte) gezien als één van de sterkste pony’s en paarden van de wereld. Hij is ook aangepast aan het gure klimaat op de Shetlandeilanden. Ook aan zijn bewegingen is dit goed herkenbaar. Hij tilt zijn benen op een bepaalde manier op, het resultaat van het leven in een rotsachtige omgeving.

    De pony vraagt een zorgvuldige behandeling. Hij kan erg koppig zijn, maar wel aanhankelijk. Hij is het liefst buiten met andere Shetlanders.

    De Shire is het grootste paardenras ter wereld, afkomstig uit Engeland, met een schofthoogte van gemiddeld 1,80 meter. De Shire behoort tot de koudbloedrassen. Qua karakter is de Shire een rustig, vriendelijk en toch leergierig paard. De Shire is zelfs zo vriendelijk dat het met veel gemak aan een kind kan worden toevertrouwd. Een Shire is ook zeer levendig en actief, met veel en gemakkelijk aanpassend uithoudingsvermogen.

    De Shire heeft een droog hoofd, vriendelijk oog, breed voorhoofd en lange oren. Hij heeft een lange, gebogen hals die goed geplaatst is op z’n sterke, schuine schouder met diep front. Hij heeft een brede rug met sterke lenden, de achterhand is gespierd en hij heeft een afhangend, rond kruis. Hij heeft ook uitstekende, lange benen, wat opvalt bij zo’n zwaar paard.

    Zijn populariteit heeft hij te danken aan zijn functie als brouwerspaard, gespannen voor de monumentale bierbrouwerwagens. Maar ook in de showring trekt de Shire veel aandacht.

    De Tinker is een meestal bont paard, al zijn er ook effen tinkers. Meestal zijn de kleuren wit met bruin en/of zwart. De Tinker heeft een schofthoogte van ongeveer 1.50 m. Als een Tinker 3 jaar is, moet hij minimaal 1.35 m. zijn. Tijdens de winter heeft de Tinker een dikke vacht. Die dikke vacht beschermt tegen kou en de lange haren zorgen voor vlot aflopen van regenwater. In de zomer is de vacht kort en glanst. De manen en staart zijn altijd lang, krullend of recht. De Tinker heeft lange sokken, dat zijn lange haren aan de onderkant van de benen, net onder de knieën, en boven de hoeven.

    De Tinker komt oorspronkelijk uit Ierland en Engeland. De naam Tinker komt van het Ierse woord tinceard (tinsmid; scheldnaam voor zigeuners). De Tinkers waren paarden van rondtrekkende zigeuners. Vanwege hun bonte aftekeningen waren de tinkers goed herkenbaar (en dus lastig te stelen) en werden ze niet geconfisqueerd door het Engelse leger omdat ze te opvallend waren. De Tinker wordt nu voornamelijk gebruikt als recreatiepaard of aangespannen. Ondanks wat veel mensen zeggen, is een tinker goed te gebruiken in de sport. Er zijn genoeg tinker die hoog dresuur rijden, en ook veel die goed springen.

    De Welsh pony komt van origine uit de heuvels en valleien van Wales. Het ras was daar al voordat de Romeinen hun intrede deden. De pony’s hadden het niet makkelijk, de winters waren streng en het voedsel was schaars. Schuilgelegenheden waren er alleen in de vorm van een vallei of een groepje kale bomen. Ondanks dat alles lukte het de Welsh pony te overleven en zelfs goed te gedijen.

    Door de jaren heen heeft de Welsh pony in Groot Brittannië vele uiteenlopende taken verricht. Er zijn zelfs bewijzen dat ze ten tijde van de Romeinse bezetting de strijdwagens in de arena’s hebben getrokken. De Welsh pony heeft daarnaast ook in de kolenmijnen gewerkt, uiteraard op boerderijen zijn diensten verleend en werd hij als hulp ingezet bij het rondbrengen van de post. Tegenwoordig is deze pony bijzonder geschikt voor vele vormen van sport en recreatie. Dressuur, springen, samengesteld, mensport, endurance en wat al niet meer. Voor een ieder, groot of klein, is er wel iets te vinden waar de Welsh pony met zijn vele verschillende uitvoeringen geschikt voor is.

    Back to Top