Fun
Rijtips voor het berijden van je paard
Zit soepel op het paard. Niet als een stijve hark, niet angstig verkrampt, niet lui in elkaar gezakt als een zak zout, maar actief, klevend en meegaand als een gelatinepudding. Op die manier volgt je lichaam gemakkelijk de bewegingen van het paard en kan het paard zich gemakkelijk onder jou bewegen.
Zitbeenknobbels
Je billen zijn niet alleen van vlees, er zit voor de stevigheid ook bot. Als je ontspannen recht op een houten stoel zit, knieën tegen elkaar, voeten naast elkaar plat op de grond en de armen los naar beneden hangend, voel je aan de achterkant twee knobbels: de zitbeenknobbels. Verplaats je je gewicht iets naar links, dan voel je de linker-, verplaats je gewicht naar rechts dan voel je de rechter zitbeenknobbel. Voel je het niet duidelijk genoeg, leg dan je handen eronder.
Als je op een vierkant gesteld, stilstaand paard zit, is je gewicht gelijk over beide zitbeenknobbels verdeeld. Zit rechtop. Niet voorop, niet achterop maar in het diepste punt van het zadel.
Rechtop
Maak je rug niet hol of bol en trek je buik niet in.
Benen
Als je de dijbenen vlak tegen het zadel legt, komen de knieën vanzelf op de goede plaats. Laat je onderbenen ontspannen tegen het paard hangen.
Hakken
Als je je hakken omlaag drukt, druk je jezelf dieper in het zadel. De hakken bevinden zich ongeveer loodrecht beneden de schouders. Draai het enkelgewricht naar binnen en breng de kleine teen iets ophoog. Je onderbenen en knieën zullen beter aansluiten en je voeten krijgen maximale steun in de beugels.
'Tenen naar binnen!' hoor je vaak tijdens lessen op maneges. Als je het voorste deel van je voet te ver naar binnen draait zit je verkrampt. Bij de een steken de tenen moeiteloos recht vooruit - wat de bedoeling is - bij de ander niet. Niet ieder lichaam is hetzelfde.
Armen
Laat de bovenarmen ontspannen langs je lichaam hangen, de ellebogen bij de heupen - aangesloten, maar niet stijf tegen je lendenen gedrukt. De onderarmen vormen met de teugel een rechte lijn naar de paardenmond.
Handen
Houd de handen loodrecht boven de schoft, de knokkels naar elkaar toegekeerd, de duimen flauw gebogen op de teugel. Sluit de vingers zonder stijfheid om de teugels. Buig de polsen iets naar buiten. Houd de handen ongeveer een handbreed uit elkaar, enkele vingers boven de schoft. Houd de handen stil. Ga vanuit een soepele pols naar binnen en naar voren buigend mee met de beweging van de paardenmond.
De teugel ligt plat tegen de hals van het paard; de lus hangt onder de rechterteugel rechts op de paardenhals.
Beginnende ruiters hebben de neiging bij het vooruit gaan aan de teugel te trekken. Door de traagheid van de massa - je lichaam in dit geval - word je als het ware achteruit gedrukt als het paard vooruit gaat. De ruiter reageert daarop door de teugel achteruit, naar zich toe te trekken. Dat belemmert het paard bij het vooruitgaan.



